| Hoe werkt een aardlekschakelaar | |||||
| De hoofdonderdelen | |||||
| Een aardlekschakelaar kan onderverdeeld worden in een aantal hoofdblokken. | |||||
![]() | |||||
| Figuur 1: hoofdblokken aardlekschakelaar | |||||
| Als eerste hoofdblok is er samenstelling van de hoofdcontacten met een tripbaar mechaniek. Hoe dit mechaniek en de contacten zijn vormgegeven hangt met name af van het type aardlekschakelaar. We onderscheiden: aardlekautomaten volgens IEC 61009 en aardleklastscheiders volgens IEC 61008. Het volgende hoofdblok is de aardlekstroomsensor. Meestal is deze sensor uitgerust als een zogenaamde ringkern. Het signaal van de sensor wordt vervolgens verwerkt in de elektronica van een spanningsafhankelijke aardlekbeveiliging. In het geval van een spanningsonafhankelijke aardlekbeveiliging wordt het signaal van de sensor meteen gebruikt voor de aansturing van het tripsysteem. Het tripsysteem gebruikt vervolgens het signaal van de sensor of van de elektronica om het mechanisme van de hoofdcontacten te ontgrendelen en dus de aardlekschakelaar uit te schakelen. Tot slot bevindt zich nog een testknop en een testweerstand in de aardlekschakelaar. De testweerstand begrenst de fase-nul stroom tot ongeveer 2,5IDN door nu de testknop in te drukken wordt dit stroompje van 2,5IDN langs de sensor geleidt waardoor de sensor een aardfout constateert. De aardlekschakelaar zal nu uit moeten schakelen indien deze correct werkt. | |||||
| De sensor | |||||
| De naam zegt het eigenlijk al, een aardlekbeveiliging constateert of er stroom "weglekt" naar aarde of niet. Dit wordt gedaan door de stromen van alle fasen en de nul van een groep te meten en deze op te tellen. Als er geen aardlek in de groep zit zal de som van de stromen nul zijn volgens de wet van Kirchoff. Dit meten en optellen gebeurt meestal met behulp van een zogenaamde ringkern. Deze ringkern "vangt" de magneetvelden van de verschillende stromen. Als er geen aardlek is zullen de "gevangen" magneetvelden elkaar in de ringkern opheffen en detecteert de spoel om de ringkern geen netto magneetveld. Als er wel een aardlekstroom loopt zullen de magneetvelden in de ringkern elkaar niet helemaal opheffen en detecteert de spoel om de ringkern een kleine (aardlek)stroom IDN | |||||
![]() | |||||
| Figuur 2: detectie aardlekstroom in een één-fase groep | |||||
| Figuur 2 toont een voorbeeld van een één-fase groep. In de fase loopt een stroom IL en in de nul loopt een 30mA kleinere retourstroom IDN. Als de vektoren IL en IDN opgeteld worden blijft een 30mA aardlekvektor IDN over. Deze IDN wordt vervolgens door de spoel om de ringkern afgebeeld als een stroom IDN. Het voorbeeld van Figuur 2 zou ook uitgelegd kunnen worden met positieve en negatieve stromen. Toch is het belangrijk om in vektoren te denken daar een aardlekbeveiliging van drie-fasen groep makkelijker begrepen kan worden door naar de vektoren te kijken. | |||||
![]() | |||||
| Figuur 3: detectie aardlek in een 3-fasen groep | |||||
| Zoals bekend staan de fasestromen van een drie-fasen systeem onder hoeken van 120º. Indien de stromen even groot zijn en opgeteld worden is de som nul, hetgeen eenvoudig te zien is door naar het vektorenbeeld te kijken. Indien in het voorbeeld van Figuur 3 verondersteld wordt dat de groep een symmetrische drie-fasen belasting voedt, zijn de stromen in de verschillende fasen even groot. Dit natuurlijk onder de voorwaarde dat er geen aardlek is. Indien er wel een aardlek is en de fase-stromen vektorieel opgeteld worden, blijft een 30mA vektor in de richting van L2 over. In L2 bevindt zich immers de extra 30mA aardfout. Deze aardlekstroom zal vervolgens weer gedetekteerd worden door de spoel om de ringkern. | |||||
| Het tripsysteem | |||||
| Het tripsysteem is in de meeste gevallen een zogenaamd magnetisch houdsysteem. | |||||
![]() | |||||
| Figuur 4: doorsnede van een tripsysteem | |||||
Het magnetisch houdsysteem bestaat uit een juk en een beweegbare arm van magnetiseerbaar materiaal. Dit materiaal wordt gemagnetiseerd door een permanent magneet. Een goed ontworden magnetisch houdsysteem kenmerkt zich nu door:
| |||||
![]() | |||||
| Figuur 5: krachten die werken op de arm van een tripsysteem | |||||
| Om het magnetisch houdsysteem te trippen zal de houdkracht van de permanent magneet met minimaal de kleefkracht moeten worden verminderd zodat de uitschakelveer het tripsysteem een beetje kan openen. Zodra het tripsysteem een beetje geopend is valt de magnetisch kracht geheel weg en blijft de kracht van de uitschakelveer over om de aardlekschakelaar uit te schakelen. Het verminderen van de magnetisch houdkracht wordt gedaan met behulp van de tripspoel. Door de tripspoel te bekrachtigen met een stroompje zal deze zich gaan gedragen als een magneet. De magneetkracht van de tripspoel is echter tegengesteld aan de magneetkracht van de permanent magneet. Hierdoor wordt de netto magnetische houdkracht (kleefkracht) sterk verminderd en zelfs negatief zodat de uitschakelveer het tripsysteem kan openen. | |||||
| Spanningsafhankelijk of spanningsonafhankelijk | |||||
Nadat de aardfout met een sensor (meestal een ringkern) gedetecteerd is, moet dit signaal nog bewerkt worden om de aardlekschakelaar te kunnen uitschakelen. Voor het omzetten van het sensor signaal IDN in het werkelijk uitschakelen van een aardlekschakelaar kunnen twee hoofdfilosofieën gehanteerd worden:
| |||||
| De spanningsonafhankelijke aardlekschakelaar | |||||
| De zogenaamde spanningsonafhankelijke filosofie kenmerkt zich door dat het sensor signaal IDN voldoende energie moet bevatten om het tripsysteem van de aardlekschakelaar vrij te geven. Met andere woorden het stroompje IDN dat van de sensor afkomt wordt rechtstreeks door de tripspoel van het tripsysteem geleid en tript daarmee het tripsysteem. Daar aardlekschakelaars reeds moeten kunnen reageren op aardlekstromen vanaf 10mA zal het duidelijk zijn dat de energie in het stroompje IDN bijzonder klein is. Het gevolg hiervan is dat het tripsysteem van een spanningsonafhankelijke aardlekschakelaar een bijzonder gevoelig tripsysteempje is. Om een tripsysteem te trippen moet immers de kleefkracht opgeheven worden door de tripspoel en daar is energie voor nodig. Daar een spanningsonafhankelijke aardlekschakelaar echter een zeer beperkte hoeveelheid tripenergie heeft zal de kleefkracht van het tripsysteem zo klein mogelijk gehouden moeten worden. De implicaties van bovenstaande filosofie moeten niet worden onderschat. Het gebruik van zeer gevoelige tripsysteempjes heeft als belangrijkste nadeel: de gevoeligheid voor de atmosferische condities. Met name vochtigheid kan zorgen voor een zogenaamde verkleving van het tripsysteem. Bij verkleving vormt zich een minuscuul oxide laagje tussen het juk en de arm waardoor ze als het ware een beetje aan elkaar "plakken". Dit "plakken" vertaalt zich echter in extra kleefkracht en hierdoor kan de energie van het sensorstroompje IDN te klein worden om het tripsysteem te trippen. Verschillende publicaties duiden op vocht als meest belangrijke oorzaak voor het falen van aardlekschakelaars. De beste manier om de aardlekschakelaar te beschermen tegen verkleving is door deze regelmatig (eens per maand wordt aanbevolen) te testen en op een droge warme plaats in te bouwen. Een tweede nadeel van deze gevoelige tripsystemen is het feit dat de aardlekschakelaar gevoeliger wordt voor mechanische schokken, de kleefkracht is immers op een minimale waarde ontworpen. | |||||
| De spanningsafhankelijke aardlekschakelaar | |||||
| Om het probleem van verkleving (een van de belangrijkste faaloorzaken van spanningsonafhankelijke aardlekschakelaars) tegen te gaan is Eaton Holec als een van de eerste fabrikanten begonnen met een zogenaamde spanningsafhankelijke aardlekbeveiliging. Kenmerkend voor een spanningsafhankelijke aardlekbeveiliging is dat het signaal IDN van de sensor gedetekteerd wordt door een elektronische schakeling die gevoed wordt uit het net waarin de aardlekschakelaar zich bevindt. Deze elektronische schakeling geeft vervolgens een relatief grote energiebuffer (condensator) vrij om de tripspoel van het tripsysteem te bekrachtigen. Er zijn ook elektronsiche schakelingen die de tripspoel van het tripsysteem direct uit het net voeden. Het gevolg zal duidelijk zijn: in plaats van een zeer gelimiteerde hoeveelheid tripenergie is er nu bijna sprake van een overvloed aan energie. Dit vertaalt zich vervolgens in een veel robuuster tripsysteem dat minder gevoelig is voor verkleving. Kenmerkend is dat deze tripsystemen naast hun robuuster ontwerp in de meeste gevallen ook met een ruime overmaat aan tripenergie getript worden. Naast bovenstaande hoofdreden (een zo betrouwbaar mogelijke aardlekschakelaar) is er nog een tweede reden om gebruik te maken van spanningsafhankelijke aardlekschakelaars. De elektronische schakeling geeft namelijk de mogelijkheid om de aardlekschakelaar te voorzien van extra functionaliteiten die het comfort voor de gebruiker verhogen. Momenteel beperkt deze extra functionaliteit zich tot een betere weerstand tegen nuisance trip. Vanwege bovenstaande voordelen heeft Eaton Holec de Alamat uitgevoerd met een spanningsafhankelijke aardfoutbeveiliging. U zult zich misschien afvragen waarom Eaton Holec een van de weinige Europeese fabrikanten is die spanningsafhankelijke aardlekschakelaars produceert. De meest belangrijke reden hiervoor is waarschijnlijk dat Eaton Holec niet zoals veel andere fabrikanten begonnen is met de ontwikkeling van spanningsonafhankelijke aardlekschakelaars maar direct begonnen is met het investeren in de ontwikkeling van een spanningsafhankelijke aardlekschakelaar. Omdat de aardfoutelektronica bestand moet zijn tegen de spannings- en stroomverschijnselen zoals die in het elektriciteitsnet kunnen voorkomen worden er speciale eisen aan het ontwerp en de ontwikkeling van deze elektronica gesteld. Een aardlekbeveiliging fungeert vaak als persoonsbeveiliging en men kan dan ook niet het risico lopen dat de beveiliging kapot gaat doordat er bijvoorbeeld in de buurt een blikseminslag plaatsvindt. De aardfoutelektronica moet daarom bestand zijn tegen de ergste "normaal" voorkomende spanningen in het net. We lichten er als voorbeeld drie toe: | |||||
| Spanningsbereik | |||||
| Er is internationaal gezien altijd discussie geweest over het spanningsbereik waarbinnen een spanningsafhankelijke aardlekbeveiliging moet werken. Zo kunnen er allerlei variates in de netspanning ontstaan waardoor de spanning tijdelijk bijvoorbeeld 10% hoger is dan normaal. Deze spanningsverhoging mag natuurlijk niet tot gevolg hebben dat de elektronica van de aardfoutbeveiliging kapot gaat. Bij spanningsverlaging speelt de discussie over de laagst mogelijke netspanning waarbij er nog een voor de mens gevaarlijke aardfout kan ontstaan. In het bereik van de laagst mogelijke tot de hoogst mogelijke netspanning dient de aardfoutelektronica naar behoren te functioneren. Internationaal (in IEC verband) is overeengekomen dat spanningsafhankelijke aardlekschakelaars normaal moeten functioneren in het bereik van 85 V tot en met 265 V. De ondergrens van 85V komt misschien een beetje vreemd over daar de NEN 1010 50V als aanrakingsveilige grens voor wisselspanning hanteert. Om geen (ongerede) twijfel te laten bestaan over de veiligheid van spanningsafhankelijke aardfoutbeveiliging heeft Eaton Holec besloten haar aardfoutelektronica reeds vanaf 50V te laten werken. | |||||
| Impulsspanningen | |||||
| Impulsspanningen zijn korte hoge spanningspieken zoals die bijvoorbeeld kunnen optreden bij een blikseminslag. Een representieve vorm voor deze impulsspanningen wordt gedefinieerd in de IEC 61008 en IEC 61009. Spanningsafhankelijke aardlekschakelaars worden dan ook met deze zogenaamde 1,2/50 µs impulsspanning getest. | |||||
![]() | |||||
| Figuur 6: 1,2/50 µs impulsspanning | |||||
| Om de elektronica bestand te maken tegen deze 6 of 8 kV impulsspanningen vergt een gespecialiseerd ontwerp met enkele bijzondere componenten. | |||||
| Meggerspanningen | |||||
| Volgens bepaling 612.3 van de NEN 1010 moet de isolatieweerstand gemeten worden tussen ieder actief deel van de installatie en aarde. Hiervoor moet een spanning van 500V d.c. tussen aarde en het actieve deel aangebracht worden en vervolgens moet de isolatieweerstand gemeten worden. De isolatieweerstand moet groter zijn dan 500 kOhm. Hoewel de huidige aardfoutelektronica van de Alamat bestand is tegen deze hoge meggerspanning meet men de verkeerde isolatieweerstand. Tussen fase en aarde en tussen nul en aarde heeft de aardfoutelektronica van de huidige Alamat namelijk een impedantie van 180 kOhm. Dit is te weinig, zeker als er meerdere Alamats op de installatie worden aangesloten. De NEN 1010 onderkent echter dat de meeste elektronica of niet bestand is tegen de meggerspanning of niet de goede isolatiewaarde afgeeft en staat toe deze te ontzien. Voor de huidige Alamat betekent dit dat twee van de drie aansluitingen (fase, nul en aarde) losgenomen moeten worden voordat men gaat meggeren. Ontwikkelingen in de elektronicawereld hebben er voor gezorgd dat er nieuwe componenten beschikbaar zijn gekomen waarmee Eaton Holec de aardfoutelektronica voor d.c. meggerspanningen tot 1000V geschikt kan maken. Deze nieuwe componenten zorgen er tevens voor dat men bij de d.c. meggerspanningen een schijnbaar oneindig hoge impedantie meet tussen fase en aarde en tussen nul en aarde. De Alamat zal begin 2002 uitgerust zijn met deze nieuwe technologie. | |||||
|
| |||||