| Checklist aardfoutbeveiliging volgens NEN 1010 (uitgave 2000) | ||
Bij toepassing van aardlekbeveiliging kan onderscheid gemaakt worden tussen
De aardlekbeveiliging mag aangebracht worden in de vorm van een aardleklastscheider volgens NEN-EN-IEC 61008 of een aardlekautomaat volgens NEN-EN-IEC 61009. | ||
Maken wandcontactdozen deel uit van een eindgroep met een
overstroombeveiliging van ten hoogste 25 A, dan moet deze eindgroep
beveiligd zijn door een aardlekbeveliging met een aanspreekstroom kleiner of
gelijk aan 30mA. Uitzondering hierop zijn wandcontactdozen die uitsluitend
dienen voor het aansluiten van vast aangebrachte verlichtingstoestellen in
niet tot bewoning bestemde gebouwen (bepaling 8.413.1.1.1).
Bovenstaande bepaling is niet van toepassing op gewone ruimten in niet tot
bewoning bestemde gebouwen zoals
| ||
| Als er sprake is van indirect aanrakingsgevaar, dan moet de schakel- en verdeelinrchting beveiligd worden door een 300mA aardlekschakelaar. Om selectiviteistredenen kan ook een 300mA S-type aardlekschakelaar gebruikt worden (bepaling 413.1.4.2). | ||
| Wordt de schakel- en verdeelinrichting gevoed door één of meerdere verplaatsbare wisselstroomaggregaten en gebeurt dit in een TN-stelselconfiguratie , dan moet de schakel- en verdeelinrichting beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 300mA (bepaling 8.782.3.4). | ||
| Er mogen ten hoogste 4 eindgroepen op een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30 mA aangesloten worden, ongeacht het gebruik van de groepen. Tevens vermeldt de NEN 1010 dat de som van de aardlekstromen van alle op de eindgroep aangesloten toestellen niet hoger mag zijn dan 10mA (bepaling 8.531.2.102). | ||
| Indien de installatie meer dan twee eindgroepen bevat, dan mag de gehele installatie niet door één aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30 mA uitgeschakeld kunnen worden (bepaling 8.531.2.101). | ||
| Een installatie mag geen aardlekschakelaar van het type AC bevatten; alleen aardlekschakelaars van het type A mogen worden gebruikt (bepaling 8.531.2.1.4). | ||
Voeden één of meerdere eindgroepen wandcontactdozen
in ruimten met een bad of douche (zone 3),
dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door
een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom
kleiner of gelijk aan 30mA tenzij:
| ||
| Voeden één of meerdere (eind)groepen contactdozen met een nominaalstroom kleiner dan 63A en geplaatst in vochtige ruimten of ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen,dan moeten deze (eind)groepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA. Dit geldt niet voor contactdozen die deel uitmaken van SELV-, PELV-, of S-keten (bepaling 8.754.2.2.3). | ||
| Voeden één of meerdere (eind)groepen contactdozen met een nominaalstroom groter dan 63A en geplaatst in vochtige ruimten of ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen, dan moeten deze (eind)groepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 300mA. Dit geldt niet voor contactdozen die deel uitmaken van SELV-, PELV-, of S-keten (bepaling 8.754.2.2.4). | ||
| Einde checklist | ||
| Voeden één of meerdere (eind)groepen ruimten met gemakkelijk brandbaar materiaal en is de installatie uitgelegd als TN- of TT-stelsel, dan moeten deze groepen voorzien zijn van een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 300mA. Dit ter bescherming tegen brand (bepaling 482.2.10). | ||
| Als één of meerdere eindgroepen contactdozen voeden die deel uitmaken van een voedingspunt voor een standplaats op campings, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 708.537.02). | ||
| Er mogen maximaal 3 contactdozen, die deel uitmaken van aansluitpunten op een camping, beveiligd worden door één aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 708.537.02). | ||
| Als één of meerdere eindgroepen contactdozen voor aansluitpunten in jachthavens voeden, moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 8.709.537.104). | ||
| Er mogen maximaal 3 contactdozen voor aansluitpunten in jachthavens beveiligd zijn door één aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 8.709.537.104). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen aansluit-punten voor marktkramen en marktwagens, dan moeten deze eindgroepen voorzien zijn van een aardlekbeveiliging met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30 mA (bepaling 8.742.2.2.2). | ||
| Als één of meerdere (eind)groepen bedrijfsruimten en -terreinen voor landbouw, tuinbouw en/of veeteelt voeden, dan moeten deze (eind)groepen, als bescherming tegen brand, beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 300mA (bepaling 705.422). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen contactdozen in bedrijfsruimten en -terreinen voor landbouw, tuinbouw en/of veeteelt, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 705.412.5). Uitzondering hierop zijn contactdozen uitsluitend bestemd voor het aansluiten van vast opgesteld materieel, mits zowel de contactdozen als het materieel buiten handbereik zijn aangebracht (bepaling 8.705.412.5). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen elektrische of elektronische instrumenten en hun bijbehoren die niet van klasse II zijn maar wel geplaatst zijn in ruimten bestemd voor meting en beproeving, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA. Uitzondering hierop zijn de instrumenten die deel uitmaken van SELV-ketens of S-ketens (bepaling 8.722.3.2.1). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen proefopstellingen met een wisselspanning groter dan 50V in ruimten bestemd voor meting en beproeving in onderwijsgebouwen en kan om technische of praktische redenen niet voldaan worden aan hetgeen gesteld is in bepaling 8.722.4.2.1.2 of bepaling 8.722.4.2.1.3, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 8.722.4.2.1.4). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen vast opgesteld materieel van klasse II of vergelijkbaar isolatieniveau in nauwe geleidende ruimten, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 706.471.2). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen verplaatsbaar elektrisch materieel van klasse I dat door de grootte van zijn vermogen geen deel kan uitmaken van ee SELV- of S-keten maar gebruikt wordt in nauwe geleidende ruimten, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 8.706.471.2.3). | ||
| Voedt de eindgroep contactdozen met een toegekende waarde van ten hoogste 32A en zijn deze contactdozen onderdeel van tijdelijke installaties op bouw- en sloopterreinen, dan moet de eindgroep beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA. Uitzondering hierop zijn contactdozen die gevoed worden door een SELV-keten of een S-keten waarbij elke contactdoos door een afzonderlijke beschermingstransformator wordt gevoed (bepaling 704.471). | ||
| Voedt de eindgroep vast aangesloten handgereedschap met een toegekende waarde van ten hoogste 32A en is dit handgereedschap onderdeel van tijdelijke installaties op bouw- en sloopwerken, dan moet de eindgroep beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA. Uitzondering hierop is handgereedschap dat gevoed wordt door een SELV-keten of een S-keten waarbij elke contactdoos door een afzonderlijke beschermingstransformator wordt gevoed (bepaling 704.471). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen verplaatsbaar of vast opgesteld materieel waarmee personen gedurende het gebruik langdurig of veelvuldig in aanraking komen en is dit materieel onderdeel van tijdelijke installaties op bouw- en sloopwerken, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA. Uitzondering hierop is materieel dat gevoed wordt door een SELV-keten of een S-keten waarbij elke contactdoos door een afzonderlijke beschermingstransformator wordt gevoed (bepaling 8.704.471). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen contactdozen in stoffige ruimten met geleidend stof, dan moeten deze eindgroepen voorzien zijn van een aardlekbeveiliging met aan aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA. Uitzondering hierop zijn contactdozen die deel uitmaken van SELV-, PELV- of S-keten (bepaling 8.751.2.3). | ||
In het geval dat er eindgroepen zijn die uitsluitend dienen voor de verlichting van
| ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen tijdelijke installaties voor feestverlichting op openbare wegen en terreinen, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA. Uitzondering hierop zijn installaties die deel uitmaken van een SELV-keten of een S-keten (bepaling 8.742.2.1.2). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen objecten voorzien van buitenverlichting zoals: telefooncellen, bushokjes, reclamezuilen, informatieborden en wegsignalering, dan verdient het aanbeveling om deze eindgroepen te voorzien van een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 714.413.1). | ||
| In verblijfsruimten met een vloeroppervlak van meer dan 100m2 of ruimten waar het onverwacht uitvallen van de verlichting gevaar op kan leveren en waarvan de voeding van de verlichting voorzien is van een aardlekschakelaar, dan moeten de aansluitpunten voor de verlichting over minimaal 2 aardlekschakelaars verdeeld zijn (bepaling 8.510.207). | ||
| Indien er twee of meer aansluitpunten voor verlichting zijn aangebracht in voor het publiek toegankelijke ruimten van: bijeenkomstgebouwen, sportgebouwen of stationsgebouwen en indien deze aansluitpunten op één aardlekschakelaar zijn aangesloten, dan moeten deze aansluitpunten voor de verlichting over minimaal 2 aardlekschakelaars verdeeld zijn (bepaling 8.718.1.9). | ||
| Zijn er op één aardlekschakelaar meer dan vier eindgroepen aangesloten die uitsluitend of mede voor verlichting dienen, dan mag dit alleen indien er na uitschakeling voldoende verlichting overblijft, bijvoorbeeld door het toepassen van noodverlichting of het verdelen van de verlichting in een ruimte over meerdere aardlekschakelaars (bepaling 8.510.209). | ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen verwarmings-systemen voor grond-, wegdek- en vloerverwarming, maar niet met doel als ruimteverwarming, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 300mA (bepaling 8.763.3). | ||
Voeden één of meerdere eindgroepen wandcontactdozen
in zone 1 van kleine zwembaden, dan moeten
deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar
met een aanspreekstroom kleiner of
gelijk aan 30mA tenzij:
| ||
Voeden één of meerdere eindgroepen: besturings-en
beveiligingstoestellen, schakelaars, scheiders of
wandcontactdozen in zone 2 van zwembaden, dan
moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een
aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner
of gelijk aan 30mA tenzij:
| ||
| Voeden één of meerdere eindgroepen toestellen van klasse I die gebruikt worden in zone 2 van zwembaden, dan moeten deze eindgroepen beveiligd zijn door een aardlekschakelaar met een aanspreekstroom kleiner of gelijk aan 30mA (bepaling 702.55). | ||
Dit rapport is gegenereerd door www.et-installateur.nl | ||